De teugels strak aanhalen.

image00002Vanaf mijn eerste PABO jaar tot en met nu zijn er regelmatig collega’s die me de volgende tip geven over ‘orde’:

“Je moet beginnen met de teugels strak aan te halen. Daarna kan je ze rustig laten vieren.”

Die collega’s geloven daar heilig in, want met ‘straffen en belonen’ doen de kinderen inderdaad precies wat zij willen. Ik snap dat collega’s dat willen en vaak zo handelen aangezien er vanuit anderen wel heel veel ‘moet’ in de klas. Ik heb het afgelopen jaar ook geprobeerd zo te handelen, ik werd er zelfs op gecoacht, maar mijn eigen gevoel, empathie, gelijkwaardigheid en vertrouwen winnen bij mij (dat heb ik ervan geleerd, dus de coaching was zeker niet voor niets 😉 ). Ik vind het zelf ook heel naar om zo behandeld te worden door anderen. Ik hoop telkens dat die collega’s ook in gaan zien dat straffen en belonen alleen een korte termijn oplossing is (Gordon, 2015; Kohn, 2006) en dat kinderen die zo worden behandeld geen respect van je krijgen. Ik vind zelfs dat de rechten van het kind daarmee geschonden worden, zoals ook Peter Hartkamp (2016) dat laat zien in zijn boek “Het gedwongen onderwijs voorbij”.

Ik vind dat kinderen geen beesten zijn, het zijn mensen en ze willen dus ‘gewoon’ als mens erkend worden. Door machtsongelijkheid in te zetten en op die manier respect af te dwingen leer je kinderen dat degene met macht bepaalt (Gordon, 2015), in mijn ogen precies het omgekeerde van respect? Kinderen (mensen) groeien zichtbaar in hun levensplezier (en daardoor in hun ontwikkeling) als ze zich erkend voelen (Stevens & Bors, 2014; Gunster, 2012). Ervan uitgaan dat kinderen niet te vertrouwen zijn (door zogenaamde teugels aan te moeten halen) doet het tegenovergestelde. Kinderen krijgen dan als eerste het gevoel dat ze niet te vertrouwen zijn en daarna kunnen ze langzaam hun vertrouwen verdienen? In plaats van een relatie opbouwen, wat heel belangrijk is (van Herpen, 2014, 2016) begin je met het afbreken van die nog niet eens opgebouwde relatie.

Maar hoe kan het dan wel?

Wat ik zelf telkens weer wil is ieder kind (en collega, en ouder, en wie dan ook) behandelen als mens. Je gaat je vriend, vriendin, collega, buurman, oom, tante, etc..  toch ook geen stickers geven als ze je een glas drinken geven of als ze netjes op de wc plassen? Je stuurt ze toch jouw huis niet uit als ze een keer (uit enthousiasme) door je heen praten of niet direct doen wat je vraagt? Kinderen erkennen betekent in mijn ogen ook gedrag accepteren waar je zelf misschien minder goed tegen kan. Door met elkaar te praten en het liefste zo dat iedereen gehoord wordt, bijvoorbeeld door een sociocratische benadering, leer je samen (Gordon, 2015; Wiechers, 2015). Natuurlijk stuur ik ook. Ik wil geen ongelukkige kinderen in de klas, want als één kind niet gelukkig is, is niemand dat (Kanamori, 2013). Dat is soms heel hard werken en lukt me ook wel eens niet. Als het ene kind een middelvinger opsteekt naar anderen, omdat het zich in een hoek gezet voelt. De andere kinderen dat niet pikken en dat kind nog verder in een hoek drijven. Door elkaar heen gillen als er ineens geschopt wordt, en geslagen. Nee, ik zeg niet dat de duurzame manier makkelijk is, voor niemand. Maar, zodra we leren dat iedereen anders is. De één gebaat is bij complete stilte, de ander bij complete chaos. Dat we samen oplossingen kunnen bedenken, nooit alleen (dus ook de leerkracht niet). Dat ik hier dus nooit een oplossing kan beschrijven voor een klas die ik niet ken, met kinderen die ik niet ken en collega’s die ik niet ken (vrij vertaald uit Korczak, 2010). Iedere situatie is weer anders, ieder kind is weer anders. De ene keer lukt het om het zo te doen, en de andere keer, soms in dezelfde situatie, met dezelfde mensen, werkt het niet. Van Manen (2014) heeft het over ‘pedagogische sensitiviteit’ en dat het daarin vaak over ‘improvisatie’ gaat. Het klinkt allemaal moeilijk en lastig, en dat is het soms ook, maar soms ook niet. Denk maar aan die ene nacht dat je moeilijk kon slapen of misschien eindelijk eens wel een hele nacht door kon slapen. Reageer je dan altijd hetzelfde als een kind ‘Je bent een lul’ tegen je zegt, of een uit de hand gelopen ruzie zorgt voor onveilige situaties (bijvoorbeeld vliegende stoelen en tafels) in de klas of op het plein? Ja, dat kan wel eens ‘onrust’ veroorzaken, maar ‘onrust’ oplossen met ‘de teugels aanhalen’ haalt die onrust niet weg. Dat suddert door en op het moment dat die beloning of die straf niet meer wordt voorgehouden (bijvoorbeeld omdat die leerkracht naar huis is?), wordt die ‘onrust’ vaak weer naar boven gehaald via machtsongelijkheid, net als die leerkracht dat heeft gedaan via straffen en belonen. Kinderen doen namelijk wat jij doet, niet wat je zegt (Gunster, 2012).

 

Gordon, T. (2015). Luisteren naar kinderen. Van contact naar verbinding binnen het gezin. Uitgever: Kosmos Uitgevers
Gunster, B. (2012). Lastige kinderen? Heb jij even geluk. Omdenken in opvoeding en onderwijs. Utrecht: A.W. Bruna Uitgevers BV
Hartkamp, P. (2016). Het gedwongen onderwijs voorbij. Een pleidooi voor het realiseren van de rechten van het kind binnen het onderwijs. Uitgeverij: The Quantum Company
Herpen, M. van, (2014). Ik, de leraar. Driebergen: hetkind
Herpen, M. van, (2016). Wij de leraar. Onderwijs en opvoeding met het leven als uitgangspunt en de ander als perspectief. Uitgeest: Centrum voor Pedagogisch contact
Kanamori, T. (2013). Levenslessen van meester Kanamori. Driebergen: uitgave hetkind
Kohn, A. (2006). Unconditional Parenting. Engeland: Atria Books
Korczak, J. (2010). Hoe houd je van een kind. Het kind in het gezin. Amsterdam: Uitgeverij SWP en René Görtzen
Manen, M. van, (2014). Weten wat te doen wanneer je niet weet wat te doen. Pedagogische sensitiviteit in de omgang met kinderen. Driebergen: NIVOZ
Stevens, L. & Bors, G. (2014). Pedagogische Tact. Op het goede moment het juiste doen, ook in de ogen van de leerling. Antwerpen: Garant Uitgevers NV
Wiechers, B. (2015). Breng balans in je gezin. Gezinsoverleg met de C.O.N.S.E.N.T.-methode®. Uitgeverij: Booklight – dienstverlenende uitgeverij

Scroll naar top