Zo, jij kan goed toetsen maken!

Jaren heb ik mezelf gecertificeerd in de ICT. Al snel bleek dat ik, zelfs na een training van 5 dagen, de toets niet haalde. Vaak zat ik net onder de norm (van 700 punten van de 1000) en zakte ik voor de toets. Wat was ik blij met de Testking’s en cramsessions (simpel gezegd: proeftoetsen waar bedrijven geld mee verdienen en die erg lijken op de echte toets). Door die proeftoetsen goed te bestuderen haalde ik de echte toets. Ik heb mezelf altijd gedwongen om die vragen alsnog te bestuderen in mijn eigen speelomgeving (virtueel netwerk met servers en clients). Ik weet zeker dat ik het ook gehaald zou hebben zonder dat ‘spelen’. De oefenvragen waren soms letterlijk hetzelfde als de vragen in de examens. Collega’s onderling wisten het: “Ohh, dus jij bent gecertificeerd? Nou, dan heb je bewezen dat je heel goed toetsen kan leren en maken. Kan je jezelf ook in de praktijk bewijzen? Da’s namelijk iets heel anders…” Al snel waren certificering en de dagelijkse praktijk twee verschillende werelden. Wil je in de ICT aan de slag blijven zal je regelmatig voor Microsoft, Citrix, VMware of andere bedrijven examens moeten doen, soms met verplichte trainingen (die soms net zoveel kosten als mijn hele PABO heeft gekost). Ik ben nog steeds trots op het feit dat ik voor Microsoft en Citrix verschillende certificeringen heb gehaald! Wil je aan het werk blijven heb je dat nodig, maar zal je in de praktijk ook moeten laten zien dat je de systemen snapt. Je moet de bits en de bytes kunnen vinden als er problemen zijn en met scripts en andere hulpmiddelen moet je kunnen zorgen dat routineklussen geautomatiseerd worden en telkens opnieuw moet je meegaan met vernieuwingen en technische middelen waar vanuit de werkvloer behoefte aan is. Ik zeg dus niet dat het fout is. Ik zeg alleen dat er een toets-certificeringswereld is en een praktijk van de dag waar je in werkt. Zoals gemeld ben ik trots dat ik de examens heb gehaald, en ben ik trots dat ik 15 jaar lang telkens mee ben gegaan in mijn ICT werk en daar telkens mee moest gaan met de tijd en vernieuwingen.

Even terug naar nu: Als invaller en al eerder tijdens mijn stages zie ik regelmatig dat kinderen moeten oefenen voor een toets. Zo worden ze daar erg goed in en scoren ze hoog op latten waarop alle kinderen van Nederland met elkaar vergeleken worden. Afgezien van het feit dat ik vind dat een toets daar niet voor bedoeld is, is het een feit dat er op scholen hetzelfde gebeurt als in mijn vorige beroep. Alleen hoor ik de kinderen onderling nooit tegen elkaar zeggen: ‘Zo, jij kan goed toetsen maken!’ Kinderen denken zelfs bij een V of E score echt dat ze niet kunnen leren (wat natuurlijk belachelijk is). Kinderen die altijd een A of een I scoren huilen als ze een keer minder scoren (wat veel psychische problemen tot gevolg kan hebben). De kinderen die er tussen zitten zijn vooral veel tijd kwijt aan het maken van toetsen. Als ze op mij lijken zorgt het ook voor frustratie, want ik wilde ook zo graag eens een de hoogste score halen en hoe ik mijn best ook deed lukte me dat nooit. Alles lijkt gericht te zijn op de toets(en) en daarna mag je alles weer vergeten? Veel bedrijven richten zich inmiddels ook puur op het oefenen van toetsen en verdienen daar geld mee. Het doet mij steeds meer denken aan mijn tijd in de ICT, waar ik wel speelde met mijn leeromgeving en daardoor ook leerde, maar waar het vooral ging om het halen van de toets. Een hoogtepunt. Misschien zelfs te vergelijken met een ‘snelle’ manier om te ‘leren’. Iets wat ook bij deze tijd hoort, zoals Stiegler (2006, geciteerd in Meirieu, 2016) spreekt over ‘het impulsgedreven kapitalisme’. Hij doelt daarmee op het huidige marktdenken waarbij de klant dagelijks verleidt moet worden om te kopen, om te doen, en waarop onze kapitalistische economie draait. Biesta (2012) heeft het al over ons zogenaamde ‘evidence based’ onderwijs en hij geeft aan waarom dat in het onderwijs onmogelijk is. Het gaat in het onderwijs niet om wat er mogelijk is, maar over wat onderwijspedagogisch gezien wenselijk is (Biesta, 2012). Het hele evidence based denken is overgenomen uit de zorg, maar, zo zegt Biesta (2012): ‘leerling zijn is geen ziekte, noch is onderwijs een medicijn’. Maar toch vergelijken we toetsen (op alle niveaus), meten we, testen we, onderzoeken we en denken we zo te weten hoe het zou moeten.

Wat willen we de kinderen nu eigenlijk leren? Ik ben zeker geen leerkracht geworden om kinderen te onderwijzen wat de overheid bepaalt. In mijn opleiding heb ik juist geleerd dat dit niet goed hoeft te zijn voor het kind, daardoor niet goed voor het onderwijs en uiteindelijk niet goed voor de maatschappij. We hebben als onderwijzers, als opvoeders, de plicht om weerstand te bieden (Meirieu, 2016). Het maken van toetsen hoort in mijn ogen wel bij goed onderwijs. Daarmee test je de kennis op bepaalde gebieden en kan je samen (leraar – leerling) bepalen wat de volgende stap wordt in het leerproces van de leerling. Daarna kan (moet?) die toets de prullenbak in. Als de gegevens wel worden bewaard, dan alleen om inzicht te geven in het leerproces van en alleen voor die leerling. Het gaat niet om die toets, het gaat om de weg die een leerling (en een leraar) in het onderwijs bewandelt en waardoor we leren.

Leren hoe je bent als mens, hoe je als subject kan worden (Biesta, 2015; Meirieu, 2016), hoe je kan samenleven in verbondenheid met elkaar, hoe je een mooi leven kan leiden. Ook leer je taal (of talen), zodat je kan communiceren, rekenen, zodat je logisch kan nadenken en oplossingen kan vinden en bedenken bij problemen. Je leert wetenschappen waarmee je kennis van cultuur en natuur krijgt. Moet al die kennis worden getoetst? Nee, ik vind van niet. Het gaat erom dat het wordt aangeboden. Dat ieder kind de mogelijkheid krijgt nieuwsgierig te worden naar cultuur, kennis, onze wereld en elkaar. In mijn ogen is dat in goed onderwijs allemaal mogelijk en wordt daar dagelijks aan gewerkt. Worden er telkens kritische vragen gesteld of we nog wel doen wat goed is. Worden fouten gemaakt die samen hersteld worden, zodat we leren. Worden kinderen wat ze al zijn en worden ze daarin begeleid en losgelaten door hun opvoeders.

Bronnen:

Biesta, G. (2012). Goed onderwijs en de cultuur van het meten. Den Haag: Boom Lemma uitgevers
Biesta, G. (2015). Het prachtige risico van onderwijs. Culemborg: Uitgeverij Phronese
Meirieu, P. (2016). Pedagogiek. De plicht om weerstand te bieden. Culemborg / Parijs: Uitgeverij Phronese / ESF Editeur

Scroll naar top